Uitdagingen voor hulpverlening, vrijwilligers, vrouw en man in de straat

1) De kracht van mensen zien.

Je kan alleen het negatieve en het falen zien van mensen in armoede. Je kan echter ook het positieve zien, de stappen die ze zetten.

Stel jezelf de vraag: hoe zou ik het doen in die situatie? Dan zie je nog beter hun krachten, de positieve elementen in hun leven.

Bevestig het positieve. Benoem wat er wél is. Blijf echter jezelf. Mensen voelen zeer goed aan als je iets niet meent of als je overdrijft.

“Voor mij was de ervaring van een vrijwilliger die op huisbezoek kwam en echt naar me luisterde en me het gevoel gaf echt in me te geloven, heel belangrijk. Ik ben stilletjes beginnen groeien.”

 

2) Hun verhaal beluisteren

Luisteren is interesse hebben, is mensen “au sérieux” nemen en belangrijk vinden.

Je kan de leefwereld van mensen verkennen door deze te bevragen. ‘Hoe reageren buren?’ ‘Hoe doen andere mensen het die in dezelfde situatie zitten?’ ‘Kennen jullie nog mensen die dat meemaken?’ ‘Hoe liep het toen jij kind was?’.

Forceer echter niets, laat het ritme van het gesprek bepalen door de mensen zelf.

Door te luisteren help je mensen hun levensverhaal te structureren. Voor henzelf is het vaak ook niet meer duidelijk hoe hun leven liep omdat ze al te veel hebben meegemaakt.

Door tijd te maken om te luisteren probeer je mensen te verstaan. Interpreteer niet te vlug, want heel dikwijls schuilt iets heel anders achter wat ze doen, dan wat we op het eerste zicht zouden denken.

Het gesprek hoeft niet altijd over problemen te gaan. Hun leefwereld leren kennen en verkennen helpt je om beter te begrijpen van waaruit mensen handelen. Er is tijd nodig om wat vertrouwen op te bouwen. Zoek positieve aanknopingspunten voor een gesprek zoals de kinderen of gemeenschappelijke interesses en durf ook over jouw eigen leven vertellen.

“Langs twee kanten kennen we elkaars leefwereld niet. We hebben door het contact recht om elkaars leefwereld te leren kennen. Elkaar leren kennen, dat is waar het op aan komt.

Hulpverlening heeft een opdracht, ook in het gesprek. Maar een gesprek dat we voeren om elkaar te leren kennen, heeft geen opdracht.”

 

3) Hen niet veroordelen

Laat hen echt aanvoelen dat je niet komt om hen te controleren of om hun leven te veranderen, en dat je hen niet beoordeelt of veroordeelt. Laat hen ervaren dat je hen wilt leren kennen als persoon, niet omdat ze arm zijn of problemen hebben. Het doet hen deugd als ze merken dat je niet bang of beschaamd bent om met hen contact te hebben en dat je het niet ‘hun schuld’ vindt dat ze problemen hebben. Ze kunnen in jou een bondgenoot vinden die verontwaardigd is over toestanden die niet mogen bestaan, over onrecht dat mensen wordt aangedaan.

Als je de dingen begint te zien en te verstaan, kom je dicht bij de pijn, het verdriet, de angst waarmee ze leven. Daaruit groeit respect voor hen omdat ze ondanks zoveel miserie niet “kopje onder gaan”.

Bij contacten met gezinnen die anders (moeten) leven, is het belangrijk dat we onze eigen kijk durven loslaten om hun situatie, hun manier van leven en hun keuzes te verstaan.

Heel vaak wordt wat gezinnen in armoede doen verkeerd begrepen. Ze worden veroordeeld, er zijn vooroordelen.

“Ze hebben geen geld om hun kinderen eten te geven, om de school te betalen maar ze hebben wél een grote hond, een “platte” TV, een auto,…”

“Ze zijn te lui om te werken, maar in de rij gaan staan voor een voedselpakket kunnen ze wel.”

Als je mensen beter leert kennen, smelten de vooroordelen als sneeuw voor de zon.

Ik vroeg waarom mensen in armoede “allemaal” een GSM hebben en ik kreeg duidelijke antwoorden.

Mensen in armoede zijn vaak afhankelijk van interimwerk en moeten dus altijd bereikbaar zijn. De vaste telefoon is opgezegd en daardoor wordt er bespaard op abonnementskosten.

Wanneer de kaart van de GSM opgebruikt is, zijn ze toch nog bereikbaar en de noodnummers kan je blijven bellen, zelfs al staat er geen geld op de kaart.

Ik vroeg verder waarom het laatste nieuwe model GSM dan gekozen wordt.

Wanneer mensen uit de “middenklasse” een GSM kopen vragen ze eerst na bij vrienden of familie wat de beste aankoop is op vlak van prijs en kwaliteit. Ze kunnen meer vergelijken.

Mensen in armoede zijn meer beperkt in hun vervoersmogelijkheden. Ze gaan naar de winkel in de buurt. De verkopers weten handig is te spelen op de gevoeligheden van de mensen. Mensen in armoede willen er bij horen, willen meer waard zijn in onze maatschappij. Als de verkoper zegt:

“Niemand loopt nog met zo’n oud model van GSM rond!”, zullen ze zeker kiezen voor het nieuwste en mooiste toestel. Daar hebben ze zelfs een afbetaling voor over…

4) Gedeelde verantwoordelijkheid

We willen mensen die het niet makkelijk hebben direct helpen.

We willen van alles “doen” voor hen. Armen zijn mondige mensen en zullen je hulp wel vragen als het nodig is. Niets doen geeft je misschien een gevoel van onmacht. Maar een invulling door jou van wat verkeerd is aan hun situatie kan zeer kwetsend en vernederend zijn.

Door te luisteren en niet in te grijpen, geef je hen veel meer: een stuk zelfwaarde gevoel!

“Concrete solidariteit is de dialoog met maatschappelijk kwetsbare mensen aangaan. Niet zozeer omdat die mensen kwetsbaar zijn, niet in de eerste plaats omdat ze problemen hebben, maar wel omdat ze mens zijn en daarom alleen al minstens één mens naast hen verdienen als supporter in lief en leed” (Luc Vandenabeele)

Het is goed om de verantwoordelijkheid ook bij mensen in armoede te laten. Het helpt soms om in plaats van zelf een oplossing aan te reiken, een vraag terug te stellen: ‘Heb je daar al met iemand anders over gesproken?’ of ‘Zie je andere mensen aan wie je het kunt vragen?’ Je kunt dan eventueel helpen zoeken, suggesties doen. Maar laat de verantwoordelijkheid ook bij hen en schiet niet te vlug in actie!

Wij kunnen niets oplossen, of iets aan hun situatie veranderen, als ze het zelf niet willen. Dat is vaak lastig.

We kunnen hen enkel aanmoedigen en ondersteunen.

Vrijwilligers, leerkrachten, buren kunnen proberen om een tussenschakel te zijn naar de hulpverlening toe. Met vallen en opstaan. De hulpverlening moet op zijn beurt met grote verantwoordelijkheid zijn taken opnemen.

“Vrijwilligers kunnen model staan voor dingen die we niet geleerd hebben, bijvoorbeeld vertrouwen hebben, vriendelijk zijn… Zonder dat jullie iets zeggen, zonder te zeggen hoe we het moeten doen, leren we veel van jullie. Als we eerst zelf vertrouwen krijgen, kunnen we ook gaan vertrouwen.

Als jullie laten blijken ook al eens problemen te hebben, neem je ons in vertrouwen. We voelen iets van gelijkwaardigheid. Ik ben opgegroeid in alle negativiteit.

Ik heb nooit iets positiefs gezien. Ik leer positieve dingen zien door jullie. We hebben nooit keuzes gehad. Dus kunnen we ze ook niet maken.

We moeten dat leren. Daarom is het belangrijk dat je ons vraagt: wat denk je erover? Wat zou je willen (kiezen)?”

“Je mag niet te veel verwachten. Het gaat met kleine stapjes! Je moeten tegen jezelf zeggen: ik ga als vriend en ik verwacht niets.”

 

5) Iedereen is evenveel waard

De hulpverleners waarmee armen te maken hebben, staan altijd een stukje boven hen, hoe goed ze het ook bedoelen. Gewoon al omdat mensen in armoede met hun problemen naar hen toe moeten komen. Ze zijn voor een aantal zaken afhankelijk van hen. Ze moeten aan afspraken en verwachtingen voldoen,…

Vrijwilligers, leerkrachten, buren kunnen gewoon naast mensen in armoede staan, van mens tot mens, vriendschappelijk, omdat niets moet!

We zijn niet gelijk aan mensen in armoede omdat iedere mensen anders is, maar ze kunnen wel gelijkwaardig zijn. Die gelijkwaardigheid zorgt dat het minderwaardigheidsgevoel dat veel mensen in armoede hebben, kan verminderen.

“Je moest eens weten hoeveel nood er is aan gewone menselijkheid. Vrijwilligers betekenen heel wat, vooral als ze zichzelf blijven, als mens, en zich bewust zijn dat ze in hun vrijwilligerswerk ook heel wat krijgen dat hun verlangens of noden invult.

Er is vooral nood aan mensen die ons laten zien en voelen wie ze zijn, en die de openheid hebben om ook ons die ruimte te geven… ”

(de citaten in dit deel komen uit de brochure “Schakels die bruggen slaan” van vzw. Welzijnsschakels.)

Het valt mij ook op dat we voor armen de lat soms hoger leggen dan voor onszelf. Een voorbeeld: wanneer onze kinderen een vakantiejob doen, vinden we het normaal dat ze het geld gebruiken voor zichzelf (als spaargeld, om mee uit te gaan, te reizen of om iets aan te kopen). Wanneer een jongere wiens ouders het niet breed hebben met dit geld een bromfiets of een GSM aankoopt, vinden we dat hij er beter de schoolkosten mee zou betalen.

6) Een relatie aangaan.

Al vele jaren worden grote inspanningen geleverd om armoede te bestrijden. Toch stellen we vast dat de kloof tussen arm en rijk niet gedicht wordt. Naast de hulpverlening en de beleidsmaatregelen om armoede te bestrijden is er nog iets anders nodig.

Mensen raken maar uit de armoede als ze ook vrienden, kennissen, “sociale netwerken” hebben. Het sociaal welbevinden is belangrijk.

Met liefde en aandacht omgaan met mensen. Zorgzaam aanwezig zijn, een relatie aangaan die op vertrouwen gebaseerd is… dat kan alleen maar door naar mensen toe te gaan. Dat lukt niet van achter een bureau. Een langdurig contact opbouwen is nodig. Trouw en hartelijkheid, omgaan met mensen in armoede zoals je zou omgaan met een vriend of familielid. Als je zo met mensen omgaat, doe je het anders dan wanneer je zakelijk en juridisch dingen bekijkt.

Zo een relatie kan opgebouwd worden door een vrijwilliger, een buur, een leerkracht…. Elk gezin in armoede zou minstens ook één hulpverlener over de vloer moeten krijgen die dicht bij hen staat en een bruggenbouwer is naar de andere diensten.

Daardoor zal het aantal hulpverleners dat bij één gezin betrokken is alvast verminderen.

Mensen met en zonder armoede-ervaring samenbrengen en groep laten vormen zorgt er ook voor dat mensen zich beter voelen.

Mensen kunnen ervaringen uitwisselen, leren van elkaar, samen genieten van ontspannende of culturele activiteiten en samen strijden tegen het onrecht dat armoede is.

Gandhi zei: “Wat je voor mij doet, zonder mij, doe je tegen mij”

7) Bewaak je grenzen

Als je contacten aangaat met mensen in armoede, moet je ook aan je zelf denken. Anders worden op een bepaald moment grenzen overtreden waar je niet zo gelukkig mee bent.

Wat vertel je over je eigen situatie? Je komt dichter bij elkaar door aan te sluiten met gelijke ervaringen. Maar je moet ook niet alles vertellen. Dat doe je ook bij andere mensen niet.

Je moet niet bang zijn om te zeggen wanneer iets niet past of wanneer je niet kunt ingaan op wat ze vragen. Niet denken dat je hen daarmee in de steek laat. Eerder waakzaam zijn dat het voor jou haalbaar blijft. Want als jij het niet meer aankan, stel je de mensen teleur omdat ook jij afhaakt. Voor mensen die al zo veel teleurstellingen meemaakten in hun leven is dat zwaar.

Je neemt veel indrukken mee als je echte contacten opbouwt met gezinnen in armoede. Die moet je kunnen verwerken! Het kan nodig zijn om een klankbord te hebben, om uit te wisselen met anderen over wat je meemaakt.

Discretie is daarbij heel belangrijk. Zeg het tegen de mensen in armoede als je over hen wil praten met iemand anders. Als je over hen uitwisselt doe het dan op zo’n manier alsof ze er zelf bij zijn en alles mogen horen wat je over hen vertelt.

 

 

op weg gaan met mensen in armoede…

We moeten de armen de mogelijkheid bieden onze vrienden te zijn, ons te onderwijzen, ons te vormen.

Als we ze ooit iets willen geven, als we ze iets willen bieden, zal het van die aard zijn dat zij van ons de gelegenheid krijgen om ons méér terug te geven dan wat wij ze gegeven hebben.

Want dàt willen wij toch, dat hun wereld en onze wereld dichter bij elkaar komt.

En kennen wij onze wereld dan misschien goed, hùn wereld, wie zij zijn, wat ze meemaken, daarvan zien wij slechts de buitenkant.

Nooit zal de wereld van de armsten uit de miserie geraken als wij niet geloven, niet overtuigd zijn, dat zij daar zélf kunnen uit opstaan.

Daarom moeten wij hen vragen ons te helpen.

Wij zijn diegenen die geholpen moeten worden om dichter bij hen te komen.

Wij zullen hen vragen moeten stellen, hun kennis van de miserie au serieux willen nemen.

(naar Mark Butaye)

De bovenstaande tekst is gegroeid door de jaren heen en vanuit de contacten met mensen met armoede-ervaring en collega’s. De bronnen van sommige gegevens zijn niet altijd meer terug te vinden.

In een aparte lijst vind je de literatuur en de organisaties die inspiratie gaven.

© Lieven De Pril